Roodjasje

 In Ontwikkeling STV

Er was eens een meisje. Nou ja, vrouw eigenlijk want ze was al getrouwd en had ook twee kinderen.

Op een dag kreeg de vrouw een mooi rood jasje van haar grootmoeder (dat is niet waar, ze kocht het bij Vero Moda, maar dat is minder leuk voor het verhaal).

Een vrouw dus, met een rood jasje, gekregen van grootmoeder.

Omdat de vrouw zo blij was met het jasje en het haar zo goed stond droeg ze het rode jasje zo vaak dat andere mensen haar Roodjasje gingen noemen.

Na een aantal jaren zei de man van Roodjasje: “wordt het niet eens tijd om weer eens naar jouw grootmoeder te gaan? Eigenlijk denk ik dat je een nieuw jasje nodig hebt. Ik moet ten slotte elke dag naar jouw jasje kijken, een ander kleurtje zou wel een keer fijn zijn!”. De twee kinderen keken op van hun tablet en knikten instemmend. Roodjasje schrok een beetje van deze opdracht, maar moest haar man wel gelijk geven. Haar man was namelijk heel wijs en behoorde tot de leiders van het dorp. Zelf twijfelde ze ook steeds vaker aan de kleur van haar jasje. Het kwam soms zo schreeuwerig over en het was zo opvallend en anders dan de jasjes die de mensen in het dorp droegen. Dat maakte haar weleens onzeker, men zal inmiddels wel denken: ‘komt zij weer aan met haar rode jasje’. Ze droeg voor de afwisseling daarom ook weleens een rode blouse, een rood vest of ze ging helemaal in het zwart maar droeg dan wel rode lippenstift.

De wijze man zei: “hier heb je een fles rode wijn, breng dat eens naar je grootmoeder om haar te bedanken voor het mooie jasje en vraag haar of ze het jasje in een andere kleur voor je kan maken. Ga er heen voor het te warm wordt en ga niet van het pad af”.

“Ik zal goed oppassen,” zei Roodjasje.

Grootmoeder woonde buiten in het bos, een half uur van het dorp vandaan. Toen Roodjasje in het bos was gekomen liep ze verschillende mensen tegen het lijf. Sommigen wezen haar de weg zodat ze het juiste pad bleef volgen, anderen liepen gezellig een stukje mee, maar er waren ook mensen die haar aan het twijfelen brachten of ze wel de goede kant op liep. Eentje van hen heette Rolf.

“Goedemorgen, Roodjasje,” zei Rolf. ” Waar ga je zo vroeg naar toe?” -“Naar grootmoeder, Rolf.” – “En wat heb je daar onder je jasje?” – “Een fles rode wijn. Ik wil haar bedanken omdat ik dit mooie rode jasje van haar heb gekregen en ik ga vragen of ze een hetzelfde jasje in een andere kleur voor mij wil maken” – “Dat is een goed idee” zei Rolf. “Dit rode jasje staat jou namelijk helemaal niet zo leuk. Ik denk dat een blauw jasje jouw ogen véél mooier laat stralen!! En ik kan het weten, want ik draag al jaren blauw”.

Roodjasje bewonderde het blauwe jasje van Rolf. Het stond hem inderdaad heel goed! Ze zou aan grootmoeder vragen of zij een blauw jasje voor haar wilde maken. En ze liep door.

“Zeg Roodjasje, waar woont je grootmoeder eigenlijk?”, ging Rolf verder.

“Nog ruim een kwartier lopen verder het bos in, onder de drie grote eiken staat haar huisje met een prachtig uitzicht, je kent het vast wel,” zei Roodjasje.

Rolf dacht bij zichzelf: “Dat jonge ding heeft lang niet zoveel ervaring als ik heb en haar grootmoeder is inmiddels ziek en zwak geworden. Het is zaak dat ik mij nu ga opdringen om er zeker van te zijn dat Roodjasje wel een blauw jasje laat maken, want dat zal veel beter bij haar passen. En ik kan haar ook veel beter helpen als zij hetzelfde draagt als ik”. Hij bleef nog een poosje naast Roodjasje meelopen en zei: “Kijk, Roodjasje, wat een mooie bloemen overal, waarom kijk je niet wat om je heen? En heb je wel in de gaten hoe heerlijk de vogels zingen? Jij loopt maar recht toe recht aan alsof je snel naar je werk moet en dat terwijl het hier vandaag zo verrukkelijk is.”

Roodjasje keek eens rond en toen ze zag hoe de zonnestralen door de bomen dansten en hoeveel mooie bloemen er overal stonden, dacht ze: “Als ik voor grootmoeder een mooi boeketje meebreng zal ze dat heerlijk vinden; het is nog zo vroeg, dat ik toch wel op tijd kom.” En ze ging van het pad af tussen de bomen om bloemen te plukken. En telkens als ze er één geplukt had, dacht ze dat er verderop nog een mooiere stond en zo raakte ze steeds dieper het bos in. Maar Rolf ging recht toe recht aan naar het huis van grootmoeder en klopte aan de deur: “Wie is daar?” – “Roodjasje, met een fles rode wijn, doe de deur maar open!” – “Druk maar op de klink,” riep grootmoeder, “ik ben te zwak en kan niet opstaan.”

“Zie je wel”, dacht Rolf “grootmoeder kan niet zoveel meer voor Roodjasje betekenen. Ik verstop haar in de kast zodat Roodjasje haar straks niet meer kan vinden, dat lijkt mij het beste”.

Roodjasje had ondertussen een heleboel bloemen geplukt en toen ze er geen één meer kon dragen, dacht ze weer aan grootmoeder en ging gauw weer op pad. Ze was verbaasd dat de deur openstond en toen ze de kamer binnenkwam, vond ze het er zo vreemd dat ze dacht: “Wat vind ik het hier griezelig vandaag, terwijl ik hier anders zo graag ben.” Ze riep: “Goedemorgen,” maar er kwam geen antwoord. Toen liep ze naar de woonkamer en schoof de gordijnen opzij. Daar lag Rolf op de bank. Hij had zijn jasje uitgedaan en was in slaap gevallen. Er liep kwijl uit zijn mondhoek en het leek alsof hij lag te dromen.

“Rolf, wakker worden! Ik was je kwijtgeraakt in het bos, wat doe jij hier? Heb je grootmoeder gezien?”. Rolf schrok wakker en begon wild om zich heen te slaan. Zijn ogen en neusgaten werden groot en hij kraamde allerlei onzin uit. Direct realiseerde Roodjasje zich dat ze snel van deze snuiter af moest komen! Zonder zijn blauwe jasje viel het haar nu pas op hoe groot zijn oren en handen waren, totaal niet in verhouding met de rest van zijn lichaam. Daadkrachtig als ze was duwde ze Rolf het huis uit en kon het niet laten om hem na te roepen: “wat heb je een verschrikkelijk grote bek!”

Heel lang hoefde Roodjasje niet te zoeken, want ze hoorde grootmoeder zachtjes roepen vanuit de kast. Toen Roodjasje de deur opentrok zag ze grootmoeder zitten onder een rij gekleurde jasjes “Hé lieverd, ik verwachtte je al! Ik heb jouw lievelingsjasje in verschillende kleurtjes gemaakt zodat je zelf kunt kijken welke kleur jij het mooiste vindt en af en toe kunt wisselen”.

Inmiddels waren de wijze man en kinderen ook naar het huis gekomen en na een uitgebreide groepsknuffel dronken ze samen van de rode wijn en ranja terwijl ze genoten van het prachtige uitzicht.

En Roodjasje dacht: “Zolang ik leef, zal ik een kleur kiezen die mij past als een jas”.

Recent Posts
0